“Een theatertekst moet niet compleet zijn”
Pietjan Dusee geldt al ruim twintig jaar als een van de steunpilaren van Drieons. Niet alleen als bestuurslid – hij is secretaris van de Stichting Ons Theaterprodukties – maar ook als schrijver van theaterteksten.
Zijn passie? Iedereen die Pietjan Dusee (Tilburg 1953) kent, raadt het antwoord: “Theater ja. Theater is mijn enige echte passie, daar buiten heb ik weinig. Ja mensen natuurlijk, vrienden.” Na een kleine pauze: “Mijn enige andere gedrevenheid is het volgen van wielrennen.”
Theater trekt niet alleen zijn hart, maar vult ook zijn werkzame dagen. Pietjan is artistiek leider van Productiehuis Brabant in Den Bosch, ook van het Festival Cement en daarnaast bestuurslid van verschillende theatergezelschappen, waaronder Drieons. Bovendien staat hij bekend als schrijver van talloze theaterteksten.
Wat maakt theater zo bijzonder voor hem, dat het zijn leven vult?
“Het klinkt als een cliché: het live-aspect. Theater ontstaat hier en nu. Ik houd van het worstelen en zoeken in het theater, van iets dat live ontstaat. Mijn hart gaat uit naar het kleine circuit, minder naar de grote zalen. Ik hoor bij wijze van spreken liever een slecht bandje zich live inspannen dan een groot computergestuurd concert in Ahoy. Ik ga nog steeds met plezier de zaal in en hoop elke keer weer: nu gebeurt het! Eén of twee keer per jaar word je van je stoel omhoog getild. Ik raak niet uitgekeken op jongelui die eigenwijs het wiel zelf willen uitvinden. Bij productiehuis Brabant ben ik goed in staat om te zien wat mensen willen, hoe ze er aan hebben gewerkt, hoever ze ermee zijn gekomen. Ik kan vanuit hun uitgangspunten kijken.”
Die man moet wel een theateropleiding hebben.
Niet dus.
Na zijn middelbare opleiding op kostschool keerde Pietjan terug naar zijn geboortestad Tilburg om daar te gaan studeren aan de Academie voor Beeldende Vorming. Heel eerlijk gezegd uit liefde. Zijn toenmalige aanbedene, die een jaar op hem vóór lag, was een studie in Tilburg gestart, dus daarom werd het voor hem de beeldende kunst en niet de film- en tv-opleiding waar hij ook toelating voor had gedaan. Scenario schrijven trok hem.
“Drie maanden later was het uit,” herinnert hij zich, over die liefde.
Film bleek evenmin een blijvertje: “Naar de bioscoop ga ik nooit.”
En beeldende kunst? “Nee. Ik vind beeldende kunst wel interessant, maar het wereldje helemaal niet. Ik bezoek wel tentoonstellingen en De Pont vaak. Bovendien is mijn vrouw beeldend kunstenaar, Ellen Rijk, met wie ik al 33 jaar getrouwd ben.”
De overstap naar theater maakte de jonge Pietjan Dusee al op de academie, eind jaren zeventig. Op de jaarlijkse feestdag van St. Lucas, patroonheilige van de schilders, versierden en bespeelden studenten en docenten het hele academiegebouw. Een van de stukken – met Pietjan als slagwerker – oogstte zoveel succes dat het wel dertig keer verkocht werd in het jongerencircuit. Daaruit ontwikkelde zich de groep ‘De Grootste Luxe Na de Kleurenteevee’, waaraan Pietjan zeven à acht jaar meewerkte.
Voor die groep schreef hij ook zijn eerste theatertekst, op basis van ‘Eros en de eenzame man’ van Louis Paul Boon. In diezelfde tijd werkte hij als docent en al snel als stafmedewerker van de Stichting Musische Vorming in Tilburg. Hij nam de schoolvoorstellingen voor zijn rekening en kreeg een paar jaar later het verzoek de theaterpoot op te zetten.
In theater T HEKS (Tilburg Noord) ontstond een podium waar educatie, productie en presentatie samengingen. Pietjan nam er de programmering ter hand en zo kwam hij in 1989 in contact met ONS, een groep uit Uden, die later Drieons zou gaan heten. Ze repeteerde in T HEKS voor ‘Kaiser Wilhelm’, een stuk van de drie grondleggers Rob Vrolijk, René Jagers en Hedy Grünewald.
Als zijn tweede proef om de vertaalslag naar theatertekst te maken, beschouwt Pietjan ‘Vorst’ van Thomas Bernhard. Hij bewerkte de roman voor een beeldend project van Jan Doms. René Jagers deed de regie en vroeg hem vervolgens ook een tekst te schrijven voor ONS. Dat werd ‘Veldschmertz’, naar ‘In the heart of the country’ van J.M. Coetzee. Daarmee raakte Pietjan voor decennia onlosmakelijk verbonden met Drieons, ook al ging hij privé via Theater De Vorst naar Productiehuis Brabant; hij bleef meebesturen en meeschrijven voor Drieons.
Aan zijn verdiensten voor Drieons twijfelt niemand. Maar hoe belangrijk is omgekeerd Drieons voor hem geweest?
Pietjan: “In bepaalde perioden heel belangrijk. Sommige producties zijn ijkpunten in mijn eigen artistieke leven. Ten tijde van het Brabantse drieluik was ik huisschrijver van het gezelschap.” Hij doelt op de door hem geschreven Zwarte Ruiter (1994), Marietje Kessels (1995) en Mussolini in Tilburg (1997). “Veel van mijn artistieke gedachtegoed liep gelijk op met dat van Drieons, met name van René Jagers. Als cultureel antropoloog vond hij dat individuele verhalen iets vertellen over de gemeenschap, de tijd en de mentaliteit. In de stukken wilde ook ik onderzoeken hoe onze samenleving is doordrongen van die katholieke, zuidelijke, pragmatische instelling. Hoe die is ontstaan en wat er van is overgebleven. De Zwarte Ruiter speelde net na de Tweede Wereldoorlog, toen gendarmes uit het Noorden moesten worden gehaald omdat de mentaliteit in Brabant anarchistisch was en gezag ontbrak. Er heerste een sfeer waarin smokkel kon gedijen en men pas vond dat het uit de hand liep toen er een dode viel. Bij Marietje Kessels ging het niet om de anekdote, maar wel om na te gaan hoe actueel de mechanismen nog zijn, om een tijdsbeeld te geven en de eigen mentaliteit te toetsen.”
Waarin verschilt theatertaal van een gewone tekst?
Pietjan, van wie een twintigtal theaterteksten zijn opgevoerd, zucht. “Voor een theatertekst geldt in principe dat die niet compleet moet zijn. Hoe completer hoe gevaarlijker. Het spel van de acteur moet de tekst nog voltooien. De intonaties maken de tekst pas spannend. Hoe ingevulder een tekst, hoe minder ruimte er over blijft voor de regisseur en de spelers. Een theatertekst moet ruimte geven, moet kloppen en levend klinken.”
Wat boeit hem zo in Drieons? Waarin onderscheidt de groep zich van andere?
Hij doet een poging zijn waardering te ordenen: “Drieons is heel beeldend. Erg op de vorm gericht. Voorstellingen komen altijd voort uit een concept. Ze zijn moeilijk te pakken. Altijd innovatief. Ze bezitten een zekere rauwheid en robuustheid en een weldadige vormgeving als constante. Producties zijn altijd gekleurd door verschillende disciplines en nooit eenvormig. Magazinetheater van Drieons ziet er totaal anders uit dan een voorstelling van Jacq Palinckx. Inmiddels werken zoveel groepen multidisciplinair, maar toch sluipt daar vaak een routine in aanpak en werkwijze. Orkater werkt ook multidisciplinair, maar de uiteindelijke vorm is telkens herkenbaar. Bij Drieons bestaat geen vaste formule, integendeel, niets gaat ooit hetzelfde en dat is een grote kracht. Drieons zoekt de vorm bij het idee, bij het concept. Dat zie je elders veel minder gebeuren en kan ook alleen bij een kleine hechte club. Drieons producties waren altijd al zeer professioneel afgewerkt. Op dat punt zijn ze ingehaald door andere. Dat zegt niets over Drieons, wel over de anderen.”
Dat Jacq Palinckx zich heeft teruggetrokken als theatermaker van Drieons betreurt hij. “De geschiedenis van Drieons kun je in blokken indelen. Dat zie je ook aan de series en trilogieën. Denk aan de Aap-serie (Kafka’s Aap), de Brabant cyclus, de Coetzee trilogie. Ik had de indruk dat Drieons nu aan een nieuw blok was begonnen, met ‘Fiets’ en ‘Mrs. Brown’ op zoek naar een nieuwe vorm van muziektheater. Dat loopt nu even anders, maar ik ben heel benieuwd hoe het verder gaat met Hedy en Peter aan het roer. Ik heb niet het gevoel: leuke tijd geweest, het is klaar, stop er maar mee, integendeel. Daar zijn ze veel te innovatief voor.”
Het vertrek van René Jagers en de komst van Peter Dictus bij de groep (als zakelijk leider en coördinator van het makerscollectief) beschouwt hij als een scharnierpunt. “Peter legt zich enerzijds meer toe op de markt. Een uitgebreide speelserie als met ‘Fiets’ was lang niet meer voorgekomen bij Drieons. Peter geeft impulsen aan de organisatie en draagt het Drieons idee goed uit. Anderzijds toont hij ook grote maatschappelijke betrokkenheid, op de regio, op Brabant. Die oriëntatie sluit goed aan bij de opvatting van Drieons door de jaren heen, waarin de groep als een soort motto had: geworteld in de klei, met de takken tot in de hemel.”
Copyright Tekstbureau Westpoint, maart 2010